Thế giới du filly

13 Yuppen in de Ardennen

Ofwel waarom langlaufen lang-laufen heet...

Door: Jan Fokke Oosterhof

Donderdagavond. Vertrek vanuit Hendrik Ido Ambacht. Als je dit gat kunt vinden, ben je klaar voor een survivalweekend. Met een moyenne dat ver boven gemiddeld en verwachting ligt, scheuren we over de Belgische Autobahn, al vraag je je soms af of je ergens ten oosten van Moskou rijdt gezien de immense putten en gaten in de weg. Vorstschade en België; de twee voornaamste oorzaken. Marcel B. alias Smeagol geeft alles. We nemen amper de tijd om cd's uit mijn tas die in de achterbak ligt, te grissen. Een stop voor een drankje kan er niet af. Géén file, doorplanken dus en zo arriveren we om 19.30 uur in het gat Houffalize.

Het hotelletje dat Marcel heeft uitgezocht is alleraardigst pittoresk; houten vloeren, balken plafonds, dekenkisten, een hemelbed(je) en sluitstuk: een toiletpotje achter een gordijntje naast het hemelbedje. Kortom: er is geen ontkomen aan. Dat is niet handig als je mijzelf alias Rataplan en Smeagol in een hokje stopt. Verbijsterd staren we naar het dunne, niets-verbloemende stukje stof. 'Tsja', mompelt Marcel, 'het zit hier vol en we hebben de laatste kamer.' Naar later blijkt is de waardin zwanger en ze kan ieder moment ploffen. De waard heeft ons als enige gasten bovenin het hotel onder de nok gestopt zodat we geen last van hen hebben en vice versa.

 

 

 

Terwijl Marcel nog even zijn neus poedert na een lange autorit, test ik bed en tv. Marcel heeft blaren van een middag schaatsen in Biddinghuizen. Wat zeg ik, blaren? Het zijn gapende, rottende puskraters. Dat zijn voeten nog niet hebben losgelaten! We kruipen samen naar het volste restaurant - en dat is in Houffalize niet héél vol – om gezellig een hapje te eten. Marcel waagt zich aan het menu dat start met een bord streekgerechten. Ik ga voor de soep en de varkenshaas. Tot onze verbazing brengt de lieftallige dame twee borden met streekgerechten. Als ik het bord leeg heb, komt ze op me toegerend. 'Dat was geen soep!' zegt ze. 'Nee, ik vond het al niet heel vochtig!' zeg ik haar – worst, kaas, ham, sla, jambon etc. Ze zal het van de rekening aftrekken. Terwijl we op het hoofdgerecht wachten, geven we ons over aan het fruitvliegjes-stukslaan-op-mijn-kale-schedel. Resteert de vraag of de arme beestjes op het fruitafval in de keuken afkomen of de pusholen van Marcel.

Na het eten een ander pushol. Marcel gaat ons potje inwijden. Waarom doet die klootviool dat niet in het restaurant??? Hij luidt een en ander naar behoren in. 'Jan ik ga iets heel ergs doen...' Oke bedankt. Ik word pas echt angstig als hij zich helemaal ontkleedt. Wat is ie van plan? Nu heb ik 30 dagen in Groenland op een ijskap staan poepen, waarbij je klauwen zo koud waren dat je het verschil tussen toiletpapier en vinger niet meer kon voelen en een en ander aan je vingers afsmeerde. Daar kon je je niet wassen, hier gelukkig wel. Marcel schiet van de pot de douche in. Ik vraag of hij dat altijd zo doet, maar hij doet het voor mij. De gedachte vervult me met warmte aangezien ik een bed(je) met hem moet delen. Terwijl hij doucht, ram ik het kussen nog wat verder in mijn neus. Gelukkig is de mechanische ventilatie aangeschoten. We slapen niet; het heeft meer weg van een comateuze toestand. 's Morgens wraak: het is mijn beurt.

 

Het ontbijt is goddelijk en blijkbaar heeft het kind nog even op zich laten wachten, anders had de waard een en ander klaargemaakt en het hazenpad gekozen. Hij is blij, want het ziekenhuis ligt op 50 km afstand en vorige week werd hier gezien de sneeuwval de noodtoestand afgekondigd. Nu ligt er ongeveer 10 cm sneeuw en de wegen zijn vrij. Na het derde kopje koffie vraagt Marcel me wat het plan is. Huh, mijn plan? Ik begin helemaal te trillen. Moet ik een plan ebben? 'Nee hoor, dan doen we gewoon waar ik zin in heb!' 'Ah, dat lijkt me een goed plan!' Marcel wil net als ik met zijn gat in een bubbelbad en dan met enkele Belgische Schoonen de sauna delen. Vooruit dan maar. We rijden het dorp uit, de helling op naar een groot hotel met Wellness Center. Het zwembad is open van 10 tot 12 en van 13 tot 17 uur. Het is 11.45 uur. In prachtig Frans spreken we de receptioniste aan. Ze antwoord in het Nederlands. 'Een kwartiertje zwemmen, is niet echt de moeite. Zou de badmeester voor ons een oogje toeknijpen, denkt u?' Ze lacht spottend: 'Alaaf polleke, dat doet hij voor ons niet en voor jullie zeker niet!' Ze neemt ons spottend op van top tot teen en verbeeld ik het me nu, of haalt ze haar neus op... Trut.

Probleem. We hadden een plan en nu moeten we het aanpassen. We rijden 25 km naar La Roche om een cadeau te kopen voor onze drill instructors. Je kunt ze immers maar beter gunstig stemmen. Daarna zijgen we neer in een lokaal etablissement voor een pot La Chouffe Mac en een assiette traditionelle, zeg maar een gemolesteerd en gedemonteerd varken dat in onderdelen op een bord wordt opgediend. Het is goed.

Een Hollander vraagt in zingend Frans of zijn hond hier binnen welkom is. In nog beter Frans mompel ik naar het meisje: 'Pfwah, Hollandais!' We integreren.

 

We scheuren terug naar het zwembad. In het pashokje een prachtig bordje: 'Salle de bains traditionelles en badmuts obligatoire'. De badmuts kunnen we bij de badmeester aanschaffen, maar een ballenknijper dragen... NOOIT! Ik schuifel langs de balie van de badmeester, mijn te wijde broek verbergend achter de balie. Gelukkig is hij verzonken in een spelletje schaak. Ik koop twee supersized condooms en trek er vast eentje over mijn oren; daar kan ik niet meer op worden afgekeurd. Ik overhandig Marcel de zijne en meteen jumpen we in het water, een natte short lijkt immers kleiner. We worden getolereerd. Vreemde mensen hier in het zwembad, ze vallen voor een deel in de categorie randdebielen. We constateren dat er inteelt in het spel met zijn geweest. Het stoombad is fantastisch. Marcel legt ontspannen zijn afgetapete pusgaten naast me op het bakje. Dit is genieten met een grote G!

 

Na het zwemmen lezen we nog even op de ligstoelen. Binnen de kortste keren zit Marcel te knikkebollen, met het boek voor de neus. Het knulletje. Hij is ook geen twintig meer. Na het luieren karren we naar Nadrin, het dorpje dat de bijklank heeft van een of ander trainingskamp in de binnenlanden van Algerije. We maken meteen kennis met onze joviale drill instructor Cees en de goeiige chef-kok Eugene. 'Daar staat het bier!', brult Cees. We voelen ons meteen welkom. De geuren van het eten hangen door het hele huis, de haard snort en het La Chouffe vloeit rijkelijk. This is life. Meteen kiezen we een bed uit en zetten de kachel op maximaal. Het huis moet nog worden warm gestookt. Niet veel laten begint het huis vol te druppelen. Eelco van de Berge alias de Maaghond, Peter F. alias de fietsbeul. Met elke persoon nemen de geproduceerde decibellen navenant toe, evenals de bierconsumptie. Het is goed.

 

Dan maant chef-kok Eugene ons te gaan bikken: 'Innemen, anders kun je de winterse wandeling straks niet aan...'. Wat zijn ze met ons van plan? We laten het ons precies één keer zeggen. Bonen met worst, bier en wijn en het smaakt naar meer. Eenieder schept twee keer op en dat is 's nachts goed te merken aan de lucht in de kleine slaapkamertjes. 'Ruftprak', is misschien wel de beste typering voor dit overheerlijke gerecht. Waarom deel ik mijn kamer wederom met Marcel, vraag ik me af terwijl ik me voor mijn kop sla. Halverwege het maal schuift Marc aan die nog snel een bord weg schranst voordat we vertrekken.

Cees neemt meteen de leiding en we gaan niet rechts de weg af, maar links het besneeuwde veld in. De trend is gezet en er wordt straf gemarcheerd. Weiland door, helling af, weg over, helling af, bos in. Het is glad, koud, ijzig en pikdonker. Gelukkig heb ik een eersteklas hoofdlamp, had ik mijn stijgijzers nu maar meegenomen...

Dan het hoogtepunt, of beter: dieptepunt. Een wildstromende beek. Met ferme stappen baant Cees zich een weg door het sop. Aarzelend volgen we als schapen, mak. Eenmaal aan de overzijde wijst Cees ons op het bruggetje tien meter verderop. Altijd scherp blijven! Dit is survival voor gevorderden, een mental game. Eerst fysieke afmatting en dan de mentale knak toebrengen. Cees en Eugene zijn in hun element, wij trotseren de elementen. Tien minuten verder en opeens is daar die kroeg in the middle of nowhere. De tafel staat klaar, het bier vloeit en de locals kijken argwanend. Wij op onze beurt kijken argwanend naar de wilde zwijnen en hertenkoppen die ons aanstaren vanaf de muren. In welk hol zijn we hier beland? Men wist zelfs al dat we eraan kwamen...

 

Dan komen de laatste deelnemers binnengevallen, die zojuist met de auto zijn gearriveerd. Peter S. alias de gepelde garnaal, doelend op zijn indrukwekkende torso. Dan is er Erik B., de broer van Marcel en Martin B., eveneens een broer van Marcel en in de wandelgangen luisterend naar de naam Slobber. Een illuster trio en gezamenlijk vormen ze de gebroeders Dalton gezien hun behaarde kinnen en markante koppen. Het zijn 'zware' jongens. Maar wat is mijn rol dan met de bijnaam Rataplan, de hond van Lucky Luke? Meteen nemen de bierconsumptie en decibellen verder toe. Dertien Yuppen op vrijdagmiddag.

We gaan dezelfde 'weg' terug. Eenieder traverseert het bruggetje, ik verkies het ruime sop. Even laten zien aan onze drill instructors wie de baas is; de hond. Na een flinke avond pilsen verkiest eenieder om beurten het kot. Ikzelf rond half vier, maar niet nadat ik snoeihard mijn zatte kop in de balk boven mijn bed heb geramd. Dat zal dit weekend nog vaker gebeuren. Smeagol plakt er nog een uurtje aan vast. Ik hoor hem niet ter bedde gaan.

 

Acht uur. De K-bel (Koebel) gaat. Fuck zeg, wat is iedereen vrolijk en uitgelaten. 'Goedemorgen Jan!', brult Mark vrolijk in mijn oor. Vriendelijk ben ik van repliek: 'Houd je bek lul!' 'Doe's lief Jan', zegt Smeagol. 'Ja en jij moet helemaal je smoel dichthouden!', reageer ik adrem. De sfeer is gezet. We lachen lief tegen elkaar en het eerste dat ik doe als ik overeind kom, is snoeihard mijn hoofd in de balk zetten. Enkele krachttermen vliegen door de lucht. Hilariteit alom.

Een fantastisch ontbijt volgt. Cees en Eugene zijn al ver voor het luiden van de K-bel naar de bakker geweest en hebben de lekkerste broodjes gehaald, met vlees, kaas, verse jus, maar bovenal keigoeie koffie. Een straffe bak. Cees neemt even het programma met ons door voor vandaag. De brokken schieten ons in de keel.

 

Met de wagens – yuppen hebben een wagenpark – scheuren we naar het plateau, Baraque de Fraiture, waar we gaan langlaufen. We zijn vroeg en in alle rust krijgen we ons materiaal. Skistokken die ongeveer 40 cm te kort zijn, met bochten erin en een scheve punt en voor de ski's gaat hetzelfde op. Na het bevestigen van mijn ski's ga ik als eerste meteen snoeihard achterover. Edoch, onze verhuurbelg zegt dat het 'bon' is, en dus is het goed. Als we in ieder geval maar hetzelfde materiaal hebben, dan is de strijd eerlijk. Ietwat onwennig gaan we van start. Gezien mijn 270 uren ervaring op de Groenlandse Ijskap geef ik zo hier en daar een tip weg. Bij Peter en Peter is dat volstrekt overbodig. Peter S. is terminaal geblesseerd aan zijn voet en kan niet meer hardlopen, waarmee een veelbelovende loopcarrière in de kiem werd gesmoord. Hiermee heeft hij een nieuwe sport gevonden en we zien hem dan ook de rest van de dag niet meer terug. Hetzelfde geldt voor Peter F. alias de fietsbeul die hierin een waardige vervanger voor fietsen ziet en die met het snot op de kop in de skisporen van Peter S. blijft ploeteren. Verbijsterend hoe hij met die fietsbenen zo hard kan op die skietjes. Een karakterdier.

Na ongeveer een uur langlaufen het moment van de dag. Een steile en ijzige afdaling. Slobber brengt een nog niet eerder in de praktijk gebrachte remtechniek in het spel. Door zijn hoofd progressief in het ijs te drukken, tracht hij middels de exponentieel toenemende wrijvingscoëfficiënt de zwaartekracht teniet te doen en daarmee Einstein te ondermijnen. In één woord geniaal! Het lukt en halverwege de helling ligt hij dan ook stil. Slobber ligt héél lang stil. Hij is ongetwijfeld emotioneel geraakt. Zijn techniek heeft volmaakt gefunctioneerd en dat is af te lezen aan de restanten van zijn hoofd die op het ijs zijn achtergebleven als gevolg van de exponentieel toenemende wrijving. In Formule I termen heet dit fenomeen: burnin rubber. Wij besluiten collectief dat Slobber vanaf nu met een integraalhelm moet langlaufen.

 

Niet veel verder komt gelukkig het beslismoment: rechtsaf 1 km naar de auto, linksaf een (optimistisch ingeschatte) 4 km. Slobber is een echte vent en gaat voor de 4 km. Snel koelen we zijn kop met ijs, want het bloed loopt hem dun door de bek. Toch zijn er meer mensen getekend. Neem nu bijvoorbeeld Edwin, die een witte Epo-sliert op de lippen heeft staan. Ikzelf heb een blauwe kont. Wat vervolgens gebeurt, siert volledig het karakter van het weekend. Cees roept 4km en we doen er ruim 3 uur over. Bocht na bocht, weiland na weiland, kilometers zwoegen we voort door de witte leegte, met een grimas op het aangezicht. Het is prachtig en we zien af.

NB Navorsing leert dat we toch echt de 14 km hebben gedaan en niet de 21 km. De splitsing was bij Coteau Saint-Hilaire – wat niets met hilarisch van doen heeft overigens – en na het oversteken van de weg zijn we rechtsaf La Grande Fagne opgegaan. Het feit dat we er zo lang over hebben gedaan illustreert de barre omstandigheden.

Samen met Slobber en Erik dek ik de achterhoede af en we zien de rest niet meer terug. Op sommige stukken is het ijzig koud en we komen niemand tegen. Afzien verbroedert, dus grijnzen we naar elkaar terwijl we ons voortslepen. Ergens middenin een weiland brul ik: 'Cees man, waar is die sauna met die blonde wijven, man?!' We leven weer wat op, maar het werkt maar kort. Ik voorspel dat we nu rechtdoor moeten, de weg over en dan zijn we op de parking. De realiteit is anders. We gaan rechts, lang rechtdoor (zeker 2 km), rechts, links, de weg over, links onder lage bomen door, rechts door een weiland, nog een weiland en dan.... Links zien we in de verte de skipiste, TERINGVER. Slobber en Erik schelden: 'Laat maar voorrijden die Edwin! We flikkeren de hele zooi in de achterbak en laten ons rijden.' Mmm, hoe motiveer je dit zootje nog? 'Ach jongens, het is nog maar een ietsiepietsiekleinroteindje.' Ze kijken me dreigend aan, maar gelukkig ben ik snel op ski's. Daarna beginnen ze gelukkig weer te schuifelen. Dit is de plek waar we ontdekken waarom deze sport lang-laufen heet.

We traverseren een smal pad langs prikkeldraad. Rechts ligt een weg, een halve meter lager. Slobber verliest zijn evenwicht, tolt drie keer om zijn as, alsof hij aarzelt tussen het prikkeldraad en de lager gelegen weg. Hij pleurt scheldend voorover in de sneeuw en blijft minutenlang liggen. Hij is vast gebroken, maar wat een held! Met een rode kop staat hij op en grijnst. Een Fransoos haalt ons in. 'Ca va?', zegt hij terwijl hij geschrokken naar de rode wrijvingskoontjes van Slobber kijkt. Ik zeg: 'Qui, ca va, c'etait la première heure...', ofwel die wond is niet van nu, hij ging daarstraks gelijk al op z'n bek. De Fransoos glijdt hoofdschuddend verder; wij ook.

Slobber start de eindsprint en met ware evenwichtskunsten vechten we ons door het bos, tot we de skipiste zien. Ah we zijn er! Niet dus. Linksaf voor de piste, bergop, rechtdoor, rechtsaf door een totaal verijst bos, rechtsaf over ver-ijste wegen, om dan aan de andere zijde van de piste uit te komen. We hadden dat kreng gewoon kunnen traverseren! Gelaten leveren we de materialen in en grijzen. 'Zo, dat weten we dan ook weer, dat hoeven we noooooit meer te doen!', aldus de gebroeders Dalton. We hijsen ons in de auto's en scheuren terug naar de warme openhaard. Ik kleed me om en lees een sms van Peter S.: Where's the Southpole now, you sissy boy! Kijk, die kunnen we in onze zak steken. Die gepelde garnaal kan dan snel zijn op zijn langlaufskietjes, maar bij minus 40 is ie wel een diepgevroren garnaal met zijn vetreserves, of eerder het ontbreken daarvan. Al snel blijkt dat een middagwandeling moet worden opgeschoven tot een avondwandeling. De schade: 1 rood koontje, 3 kapotte knieën, een verdraaide knie, 1 blauwe kont, verergerde pusgaten en heel veel grootspraak voor de haard.

Onze drill masters leggen ons in de watten met nootjes, chips, chocolade, fruit en La Chouffe. Zelfs Glühwein komt eraan te pas. Slobber gaat er even bij liggen. Een enkeling vreest dat hij zal bezwijken aan de gevolgen van het hoofdelijk remmen. Het valt allega mee en na twee aspirines komt hij zelfs eten en zakt zijn hoofdpijn weg. Cees weerstaat de koude en staat urenlang buiten voor ons te BBQ-en. Steeds weer komt hij met lappen vlees ten tonele; het is goed dat er geen vegetariërs onder ons zijn, al heeft het beleid van Peter S. die de komende 15 jaar de verantwoordelijkheid heeft Nederland duurzamer te laten eten vanuit het ministerie van LNV, een aardige deuk opgelopen. We schransen alsof we Scott en zijn manschappen zijn, na een jaar op de Zuidpool.

 

Edwin laat zich nu van zijn meest subtiele kant zien, door Marcel te melden dat zijn naam niet bij hem past. Hij is eerder een Dré. We hebben collectief visioenen van een Hollandse volkszanger die zich dompelt in worstjes en bier. Marcel is not amused. Ikzelf krijg het stempel Poolse stoephoer opgedrukt met de klinkende naam Svetlana of Helga. Wat opvalt is hoe snel Edwin in staat is om de namen van Poolse stoephoeren uit zijn mouw te schudden, alsof hij reciteert uit eigen werk. Slobber is ook weer helemaal terug en komt soms scherp uit de hoek, met name als het onderwerp 'Huisgenoten' aan de orde komt. Marcel heeft het huis met Eelco gedeeld, ik met een aantal dames, maar aldus Slobber: Erik heeft het huis gedeeld met twee kerels en een witte kat genaamd Fuck. Die zit! Slobber's back!

Na een fantastische BBQ volgt de avondwandeling. Peter F. heeft teveel gegeven tijdens het langlaufen en haakt af: 600 gaypoints. Bij Edwin speelt de Epo op en die uit zich in kramp: 650 gaypoints. De stevige wandeling eindigt in een kroeg met de welluidende naam 'La Chouffe'. Ook hier zijn ze reeds op de hoogte van onze komst; dit wordt een beetje eng. Het blijkt een grot, waar Belgische volkszangers er stevig tegenaan gaan. Dré zou niet misstaan op het podium. Eugene gooit zich meteen in gewoel en we zien hem pas bij vertrek weer terug. En masse gaan we aan de Chouffe en Peter S. aan de Jupiler. Hij krijgt La Chouffe niet door zijn strot; de cultuurbarbaar! We lopen een uur terug en liggen uiteindelijk om 1.30 uur onder de wol.

Met verbazing aanschouw ik het bedtijdritueel van Eelco en Marcel. Ze springen achterwaarts in de boxer tegen elkaar aan en proberen op het moment van impact zo hard mogelijk te ruften. Verbijsterend! Ik kan het niet volgen en ik ben toch echt wat gewend. Het is goed dat we met enkel mannen zijn, alhoewel, misschien zou een vrouw hier een louterende invloed hebben.

De K-bel gaat. In onze kamer gebeurt HELEMAAL NIETS! Ik draai me om en doezel heerlijk verder. Het lijf doet zeer en weigert dienst. Als ik Mark hoor kreunen, kan ik een glimlach niet onderdrukken. Ik ben niet alleen, dit geeft moed. Ook Marcel is minder fris, hetgeen me plezier doet. Het ontbijt is wederom fantastisch door onze gulle gastheren.

 

Daarna moeten we alleen op pad met de kaart. Dat kun je positief of negatief uitleggen. Positief: er is geen drill master. Negatief: we moeten kaartlezen en zullen vast verdwalen in het ondoordringbare terrein. Gelukkig hebben we Peter F. die navigeert als een Zwitsers uurwerkje. Het is een prachtige tocht langs de Uerte en vooral voor Erik is dit een uitdaging. Hij draagt oude bergschoenen zonder profiel en de nieuwe schoenen met degelijke Vibramzolen liggen achterin zijn auto??? Daar moet enig denkwerk aan vooraf zijn gegaan! Het summum: hij verliest zijn grip, ziet dat ik klaar sta als buffer om hem op te vangen en laat zich beheerst gaan. We hebben het hier echter wel over één van de gebroeders Dalton: dat zijn zware jongens! Na een droge klap glijden we samen in een innige omhelzing langs het pad, om net voor de afgrond tot stilstand te komen. Erik heeft adrenalineogen als stuiterballen en ik peins nog dagen over de vraag hoe ik die brok spieren heb kunnen tegenhouden. Het typeert de tocht die ons drill masters hebben uitgezet; dit is niet voor mietjes.

Blijkbaar zijn we trager dan verwacht want Cees en Eugene komen ons reeds tegemoet. Op de parkeerplaats krijgen we een rantsoen van Jagermeister, appels, koekjes en koffie waarna de oudste gebroeders Dalton afhaken: 1.000 gaypoints! Arjan en Lando moeten huiswaarts, dus met 9 kerels maken we de tocht af. De mannen zijn van de jongens gescheiden, precies zoals Cees en Eugene dat voor ogen hadden.

Missie geslaagd.

Mannen, bedankt voor een heerlijk survivalweekend. Ik heb geweldig genoten en zoals Eelco zegt: 'Als je Jan's columns leest, denk je: ben ik daarbij geweest!?' Houwen zo en laat niemand zich gekwetst voelen.

Ps heeft iemand mijn pendekken gevonden bij het inpakken?